Terug naar lesgeefpagina

Planmatig Integreren van Meetpunten.


Het doel van planmatig integreren van de meetpunten van vaardigheid is dat je alle soorten vaardigheid bij de cursist krijgt.
Doordat je in fases aan die vaardigheid werkt bied je de stof makkelijker in overzichtelijke blokken aan, wat het efficiënt maakt.
Ander voordeel van het bijleren van steeds een fase is dat je de cursist steeds laat scoren, waardoor de cursist naar meer verlangd.
Ook geef je de cursist op die manier het gereedschap om zichzelf te kunnen beoordelen, en dus ook zichzelf te belonen en verder ontwikkelen.

Ook is het heel belangrijk om te weten dat er meer soorten van vaardigheid zijn, dat bijvoorbeeld een gijp meer is dan afvallen voor de wind totdat de fok doodvalt, gaan verzitten, het zeil overtrekken boven het blok, snel vieren en het roer pakken.
Wanneer de cursist weet waar het eigenlijk om gaat is zeilen ook simpel! (bijvoorbeeld: een gijp is het zeil overtrekken op een beheerste manier op een voor de windse koers, is best simpel, alle mogelijke stappen volgen namelijk uit die hoofdlijn.)

Daarnaast dien je het vaardigheidsnivo van de cursist vaak te vergelijken met de meetpunten, en het liefst op een manier waarbij de cursist een duidelijke terugkoppeling krijgt.
Als de cursist een duidelijke terugkoppeling krijgt dan kan hij daar wat mee.
Ik heb mij erover verbaasd dat als je aan een cursist vraagt (die de dag ervoor een halve dag gijpen heeft geleerd): "Wanneer denk jij dat ik jouw gijp goed vind?" je vaak totale onzin antwoorden krijgt, omdat ze alleen het trucje nadoen, dus niet in staat zijn gesteld om zichzelf te kunnen beoordelen.
Als ik dan vraag aan de instructeur hoe dat komt krijg ik van die instructeur als antwoord: "Ik heb ze wel 10 keer gezegd wat ze moesten doen, en het ook nog een paar keer voorgedaan, en daarna ben ik gaan schaven, waarbij ik aangaf wanneer ze nou precies moesten gaan verzitten enzo. en bij het testen konden ze het ook allemaal goed."
In principe kan de cursist dan wel gijpen, maar bij een andere windkracht of op een andere boot waarschijnlijk niet meer echt.
Dat komt omdat hij alleen weet welke handelingen hij moet uitvoeren.

Ik vind dat een cursist het pas echt kan als hij in staat is om zichzelf te verbeteren.
In mijn ogen moeten daarvoor de volgende vijf meetpunten van vaardigheid zijn getest.

  • Hoofdlijn(doel)(het gaat om…, waar gaat het om? Wat is het doel van….?)
  • Meetpunten (beoordelingscriteria) (ik let op…, waar denk je dat ik op let? De volgende stappen zijn te onderscheidden: )
  • waarom die meetpunten. (ik let daarom op..., waarom denk je dat ik daarop let? Waarom doen we dat zo?)
  • alternatieve meetpunten. (het zou ook anders kunnen, Hoe zou het ook kunnen?, wanneer is het beter om..? Zou het ook kunnen door…
  • snelheid vergroten, automatisch kunnen (zou het sneller kunnen?, kun je het ook terwijl je het plan bedenkt om daar aan te leggen.)


  • Als ik bovenstaande allemaal heb behandeld komen mensen steeds een stapje verder, en hoef ik ze eigenlijk nooit wat af te leren!
    Enige probleem is dat andere instructeurs het weer kunnen verzieken voor mij als ze de volgende dag een cursist van mij aan boord krijgen bij windkracht 1 , met opmerkingen als: “hou nou toch eens op met steeds ja maar te zeggen en trek die schoot bij de gijp nou gewoon binnen aan 2 touwen zoals het hoort, in plaats van alles tegelijk. Bij mij moet dat gewoon zo!” ofzo.


    De vijf meetpunten van vaardigheid in meer detail.

  • Hoofdlijn: Het weten wat de hoofdlijn is, weten wat het doel is.
    Voorbeeld: vraag “wat is een gijp eigenlijk?”
    Antwoord “een gijp is dat je met de kont door de wind draait, en dat daarbij het zeil beheerst overkomt.”
  • Meetpunten weten: Het weten wat de meetpunten zijn. Dit kan dus een aaneenschakeling van handelingen zijn, of een vaste procedure
    Voorbeeld: vraag “waar denk je dat ik allemaal op let?”
    Antwoord “of dat ik op tijd ga verzitten, of ik het zeil beheerst overtrek, of het snel genoeg ging, of de fok wel doodviel toen ik het zeil helemaal had binnengehaald, of ik het roer vast hield toen het zeil overkwam”
  • Waarom: Het weten waarom dit de meetpunten zijn
    Voorbeeld: vraag “waarom moet de fok doodvallen als je het zeil helemaal hebt binnengehaald?”
    Antwoord “anders weet ik niet of ik wel goed voor de wind zat”

  • Alternatieven weten: Meetpunten zelf bedenken (=alternatieven zien)
    Voorbeeld: rol de fok in en vraag om een gijp te maken.
    Vraag na de gijp: “hoe kon je nu zien dat je toch mooi voor de wind zat”
    Antwoord: “aan het vaantje, aan de golven, de giek kwam omhoog, en die vlag hier aan de kant”
  • Snel en automatisch kunnen
    Voorbeeld: vraag “denk je dat je 5 gijpen kunt maken in 30 seconden?”
    Of: “maak 5 gijpen en geef tijdens het gijpen antwoord op mijn vraag”
    En dan vragen : “wat is het 7e woord uit het Nederlands volkslied?”


  • Bij het stellen van dit soort vragen ben je ook constant aan het evalueren of men iets heeft begrepen!

    Helaas is deze methode van lesgeven niet bij alles handig en toepasbaar.
    Zo is het bijvoorbeeld bij een les BPR niet handig om alternatieven te gaan verzinnen.
    Ook bij een les waarbij gewoon informatie dient te worden gestampt, zoals in mijn voorbeeldles windroos is de methode van het planmatig integreren van meetpunten niet volledig toepasbaar.
    Ook hier zijn weer de alternatieven het probleem. Het is een afspraak om halve wind halve wind te noemen, en dat wil je ze leren op dat moment.

    Bij het aanleren van een hogerwal manoeuvre of het leren van een gijp is het echter een goede methode naar mijn mening.

    Terug naar de lesgeefpagina