Terug naar lesgeefpagina

Situationeel lesgeven.

Met situationeel lesgeven bedoel ik dat je de communicatie naar de cursist aanpast aan waar de cursist op dat moment behoefte aan heeft.
Dit om de motivatie hoog te houden.
Ik pas dit model toe op momenten dat mijn lesgeven even niet meer zo lekker gaat.
Vaak komt dat "even niet lekker lesgeven" omdat je de verkeerde stijl hanteert, dus teveel of te weinig informatie geeft, en/of te weinig of teveel complimentjes geeft.

voor situationeel lesgeven wordt de communicatie gesplitst gedacht in:
  • Ondersteunend gedrag, ook wel relatie gericht gedrag genoemd, oftewel de mate waarin je de cursist ondersteund door middel van complimenten en of het helpen bij keuzes en dergelijke.
  • Taakgericht gedrag, ook wel sturing genoemd, oftewel de mate waarin je naar de cursist communiceert wat hij moet doen.

  • Je past de mate van ondersteunend gedrag en het taakgericht gedrag wordt aan op het competentieniveau.

    Competentie wordt voor situationeel lesgeven gesplitst in:
  • Het kunnen, dus of de cursist weet wat er moet gebeuren.
  • Het willen, dus of de cursist genoeg zelfvertrouwen en/of zin heeft om het te doen.


  • Bij situationeel lesgeven doorloop je de volgende fases:
  • Instrueren (handelingen vertellen) (veel sturing weinig ondersteuning), als cursist onbekwaam is en niet bereid (of onzeker)
  • Overtuigen (verkopen) (veel sturing en veel ondersteuning), als cursist onbekwaam is en bereid of gemotiveerd
  • Overleggen (participeren)(weinig sturing en veel ondersteuning) als cursist bekwaam is en niet bereid of onzeker.
  • Delegeren (weinig sturing en weinig ondersteuning) als cursist bekwaam is en bereid of gemotiveerd

  • Je schat dus het competentienivo van de cursist in, en begint in die stijl les te geven, om langzaam naar de volgende fase te gaan.

    In een diagram ziet dat er zo uit:

    Voorbeeld bij dit diagram: Als je dus iemand hebt die het wel kan (kunnen=ja) maar nog erg onzeker is (willen=nee), neem je de stijl overleggen/ondersteunen aan. Veel ondersteuning en weinig sturing dus.
    Je bied dus geen nieuwe informatie aan, maar helpt de cursist om het doel een aantal malen (bijna) zelfstandig te halen, met aanmoediging en beloning, zodat zijn onzekerheid afneemt, en hij dus vanzelf in de volgende fase komt.

    Vaak loop je al met je gezond verstand die stappen door:
  • Instrueren (handelingen vertellen): (veel sturing, weinig ondersteuning).
  • Iemand die niets weet wil gewoon weten hoe het moet, en heeft nog geen behoefte aan relatiegerichte ondersteuning. Voorbeeld: iemand die nog nooit heeft gegijpt moet je vertellen/laten zien hoe het gaat. Er is dan nog niks om te belonen, dus dat heeft ook geen zin. Als er vragen komen kun je gaan naar de volgende stap:
  • Overtuigen (verkopen waarom) (veel sturing, veel ondersteuning). Voorbeeld, iemand die een gijp net heeft gezien en net zijn eerste gijp heeft gemaakt wil graag weten of hij het goed doet, en of het beter kan, en waarom hij het zo doet. Als hij eenmaal weet waarom iets moet kom je in de volgende fase:
  • Overleggen (weinig sturing, veel ondersteuning) Opper denkbeelden om de juiste beslissing te stimuleren, er is niet echt iets meer uit te leggen. Voorbeeld: iemand die in principe alles weet om goed te kunnen gijpen, en het wat en waarom weet heeft weinig behoefte aan nog eens precies te horen waarom en wat hij moet doen. Hij wil alleen bevestiging of het goed gaat, en of hij de juiste beslissing maakt door het zeil snel binnen te trekken en dergelijke. Is hij van zijn onzekerheid af en maakt hij de juiste beslissingen dan kom je in de volgende fase:
  • Delegeren (weinig sturing en weinig ondersteuning) Iemand die het al kan, en dat ook weet, wil geen verhaal hoe hij het moet doen, en ook niet dat zijn gijp voldoende was. Voorbeeld: iemand die netjes een rondje vaart inclusief de gijp die hij al 10 keer netjes en goed heeft gedaan, en waarvan hij weet dat hij goed is, wil niet horen dat zijn gijp goed was en hoe hij hem moet doen.

    Dit lijkt heel logisch, en dat is het ook. Ik noem het toch omdat als je lesgeven even niet meer zo lekker gaat het vaak het geval is dat je de verkeerde stijl gebruikt voor de verkeerde persoon, wat toch nog wel eens kan gebeuren als je verschillende niveaus aan boord hebt, of dat bij iemand dat nog nooit is behandeld. Enkele voorbeelden van wat er fout kan gaan:

    Te vroeg delegeren:
    Tegen iemand zeggen die niet weet wat een gijp is zeggen “maak maar eens 3 gijpen” maakt hem erg onzeker. “ja maar dat had je niet gezegd” of “hoe moet ik dat nou weten” of “ik snap er de ballen van, ik weet niet eens wat je bedoelt” of huilen (vaak teken van onmacht of onzekerheid) zijn een aardige indicatie dat je te weinig sturing hebt gegeven.
    Te vroeg overleggen:
    Tegen iemand in zijn eerste gijp zeggen “denk je niet dat er een manier is om je zeil sneller over te krijgen met deze wind?” als je wil dat hij het zeil aan de schootbos overtrekt in plaats van gewoon de volledig vertraagde schoot aan te trekken. Waarschijnlijk schiet je hier niets mee op omdat degene daar absoluut geen antwoord op heeft, wat hem kan frustreren.
    Minder erg en minder duidelijk is als je:
    Te vroeg naar overtuigen gaat:
    In de uitleg van de gijp vertel je waarom je bij een rechte gijp eerst gaat verzitten: “nu ga je alvast verzitten omdat de volgende stappen zo snel gaan dat je geen tijd meer hebt om te gaan verzitten, en als je dan het roer loslaat en de boot gaat hard oploeven dan zit je erg aan de verkeerde kant, en dat is vervelend vanaf windkracht vier, en dat leren we nu al aan, ondanks dat het nu niet echt nodig is met deze windkracht 2, daarnaast gaat het roer vanzelf van je weg als je niet gaat verzitten.” het automatische cursistenfilter vangt dan op “dus ik moet gaan verzitten want er zit een redenering achter” of als je “pech” hebt: “je hoeft nu niet te gaan verzitten want het waait niet zo hard” of “het roer gaat van me weg dus dat moet ik goed naar me toe trekken”
    Het is dus gewoon een overkill aan informatie waar men nog geen behoefte aan heeft en wat men dus niet zal “horen” (een soort van oostindisch doof)
    Als je begint te denken “let nou eens een keer op, ik heb net al verteld waarom” of “onthou het nou eens”, of cursisten die wazig wat anders doen is een indicatie dat je teveel over het waarom/hoe het anders kan bent gaan vertellen voor waar ze aan toe zijn.
    Het vervelendste aan het te vroeg overtuigen (verkopen waarom) is dat je als lesgever ook aan het leren lesgeven bent, en hier vaak (onbewust) de conclusie uittrekt “Ik moet niet teveel vertellen waarom en wat de alternatieven zijn, want dat begrijpen ze toch niet.”

    Omdat ik daar zelf ook vaak ben ingetrapt, maar het “waarom” wel erg belangrijk vind als je mensen verder wilt ontwikkelen en mensen de vaardigheid wilt geven zichzelf te kunnen beoordelen, en baal als altijd de “standaard” oplossing wordt gekozen haal ik vaak een hulpmiddeltje van stal om ervoor te zorgen dat ik wel het waarom vertel in een les.
    Dat is dat ik de meetpunten van vaardigheid stapsgewijs naloop in een les.

    De vijf meetpunten van vaardigheid:
  • 1 Doel kennen, de hoofdlijn weten(het gaat om…, waar gaat het om? Wat is het doel van….?)
  • 2-Hoe, welke handelingenwerken (beoordelingscriteria) (ik let op…, waar denk je dat ik op let? De volgende stappen zijn te onderscheiden: )
  • 3-Waarom, dus weten waarom die handelingen. (ik let daarom op..., waarom denk je dat ik daarop let? Waarom doen we dat zo?)
  • 4-Hoe anders, dus Alternatieven bedenken. (het zou ook anders kunnen, Hoe zou het ook kunnen?, wanneer is het beter om..? Zou het ook kunnen door… waarom ging dat niet lekker)
  • 5-Snelheid en automatisch, dus het snel kunnen zonder er hard bij na te denken (kan het ook sneller?, kan je het ook terwijl je … doet?)

  • Die vijf meetpunten van vaardigheid in een les stoppen noem ik het Planmatig Integreren van Meetpunten.

    Wat houd iemand gemotiveerd.

    Uitgangspunt van het situationeel lesgeven is dat je de mensen gemotiveerd houd.
    Daarbij dien je te bedenken wat mensen motiveert, en wat mensen huist demotiveert,

    Punten ter Motivatie:
  • Scoren, dus als ze merken dat ze iets goed doen, zeker als ze weten dat ze dat vroeger niet konden. Mijn sterven is dat ze dat zo snel mogelijk zelf moeten kunnen beoordelen, zodat ze zichzelf belonen en jezelf niet te hard bezig hoeft te zijn met ze zelfvertrouwen inpraten.
  • Uitdaging, dus de kans geven om nog meer te kunnen gaan scoren.


  • Punten ter demotivatie:
  • Gebrek aan scoren. Doordat ze niet horen/weten wat/wanneer het goed is.
  • Faalangst, kritiekvermijdend gedrag, dus angst voor kritiek/niet scoren. Gebeurt typisch als de cursist inschat dat het niet gaat lukken.


  • Het is dus van belang om de uitdaging niet te groot te maken, want dan is men te bang dat het mislukt.
    De mensen een aantal malen goed laten scoren, is ook aan te raden. Dan ligt men ook niet wakker van als het een keertje niet lukt, als het daarna maar wel lukt.
    Het eerst eens een keertje mis laten gaan maakt het scoren voor de cursist nog leuker, omdat hij dan merkt dat hij meer kan, en dat is scoren!
    Mis laten gaan heeft ook nog eens als voordeel dat men weet wat er gebeurt wanneer iets mis gaat, en hoe dat op te lossen.
    Het oplossen of herkennen van een probleem is ook scoren! (voorbeeld: cursist die zegt:"Ik kwam veel te hard aan, maar dat had ik natuurlijk op tijd in de gaten, dus draaide ik weg en deed het meteen daarna over met de juiste snelheid zonder dat die instructeur hoefde in te grijpen!")
    Als instructeur beloon ik dan ook vaak het herkennen van een probleem (voorbeeld, instructeur zegt:"Heel gers dat je in de gaten had dat je veel te hard ging! Als ik je nu vertel dat als je dat merkt je gewoon moet wegdraaien naar de kant met de meeste ruimte, en het liefst met een overstag, dan zul jij de boot nooit op de kant leggen!" Het is normaal dat je wel eens veel te hard aankomt om verschillende redenen, dat gebeurt mij ook wel eens.)

    Om de uitdaging niet te groot en niet te klein te maken werk ik vaak met het planmatig integreren van meetpunten van vaardigheid, dus de vaardigheid in overzichtelijke stapjes omhoog brengen. klik hier voor meer over Planmatig Integreren van Meetpunten
    Situationeel lesgeven is zelfbedachte variatie op "situationeel leidinggeven" van Paul Hersey, een interessant boek/methode die mij aan het denken zette.
    Wil je er meer over weten, dan kun je het vast nog wel bestellen bij (onder andere) www.managementboek.nl
    Een aanrader als je hier meer over wil weten of het meer op andere zaken wil toepassen. Mijn verhaal hierboven is namelijk verre van compleet.


    Lesgeven is mensen een stap verder helpen in hun leerproces.

    ‘Iets ontstaat pas als er behoefte aan is’. Dat geldt ook voor 'leren'.
    Bij trucvaren wordt zeilen maar een handeling, en daardoor op een gegeven moment ook saai.
    Trucvaren is het kopiëren van de handeling die de instructeur voordoet of verteld.
    Wanneer je truczeilen los laat, werk je heel erg vanuit de deelnemers en wat men tegenkomt.
    Waar is op dat moment behoefte aan? welke behoefte wil je creëren? aan welke behoefte ga je werken?
    De "truuk" van niet trucvaren aanleren is dat je op een gegeven moment stopt met het instrueren, stopt met mensen jouw handelingen laten kopiëren, en begint met het verkopen als fase, dus het waarom.
    Daarna verder gaat met alleen ondersteunen als je wil dat de cursist uiteindelijk iets zelfstandig kan "beslissen", dus zelf de verantwoordelijkheid kan en wil nemen, dus dat je zaken kunt delegeren naar de cursist.

    En het is waar dat sommige mensen er niet blij mee zijn als je stopt met ze jouw handelingen te laten kopiëren als lesvorm.
    Waarschijnlijk zijn ze dit niet gewend, en vinden ze het daardoor spannend, omdat ze risico lopen op kritiek, want ze beginnen aan iets nieuws.
    Dan is het aan de instructeur om een kader te scheppen waarin beetje voor beetje het 'zelfontdekkend/zelfsturend/zelfbeslissend leren' wordt gestimuleerd. Moeilijk maar niet onmogelijk.
    Vaak begint het met een bepaalde houding: besef dat er geen standaard oplossingen bestaan.
    Er zijn wel een aantal voorwaarden waaraan je voor een bepaald diploma aan moet voldoen. Die voorwaarden veranderen naarmate je hoger komt, maar bedenk dat als de cursist kan zeilen hij ook wel aan de diploma eisen zal voldoen.
    Diploma’s zijn mijlpalen in het instructievaren, EN DUS GEEN DOELEN OP ZICHZELF. Vergeet niet dat het doel is dat de cursist zelfstandig leert varen en daar lol aan beleefd.
    Dat betekent natuurlijk niet dat je helemaal niet op diploma’s hoeft te letten, wel dat er na de ene mijlpaal nog meer kunnen volgen.

    Wanneer ik zeg dat je iemand continu vooruit moet gaan, hoort daar natuurlijk ook "De Dip" bij:
    De Dip in het leerproces: wanneer de cursist in een keer overstapt van bewust vaardig naar onbewust vaardig gaat het vaak mis.
    Opeens op de eigen "automatische piloot" vertrouwen is moeilijk, en opeens overnemen van die automatische piloot is misschien nog wel moeilijker.
    Niks wil nog lukken, wat net nog prima ging.
    Dit ligt niet aan jou als instructeur, of aan de cursist. Dit is normaal.
    De kunst is om weer uit deze dip te komen.
    Dat gaat volgens mij het beste door nog meer tijd te besteden aan dat automatiseren, gewoon hetzelfde blijven doen (en vertellen tegen de cursist dat een dip normaal is als hij meld dat "niks meer lukt").
    Zeker niet aan wat anders beginnen, eventueel een stapje terug doen en alles nog eens bewust doen werkt ook.

    De instructeur moet dan ook inzicht hebben in de beperkingen en mogelijkheden van een zowel de cursist, zichzelf en een bepaalde situatie, en ook zijn eigen lesgeven kunnen beoordelen, en niet alleen het resultaat van zijn lesgeven gemeten in diploma’s.
    Een goede instructeur dient dan ook zijn eigen lesgeven te analyseren. Ik hoop dat ik in dit schrijven daar in ieder geval enige handvaten voor heb aangegeven om eens op een andere manier je stijl, manier, methode van lesgeven te bezien.


    Terug naar de lesgeefpagina