Terug naar lesgeefpagina

FOUTE voorbeeldles.

een voorbeeld van truken aanleren:

Veel instructeurs besteden geen aandacht aan het waarom, en leggen alleen de handelingen uit, want anders “kost het teveel tijd, en kom ik niet aan andere dingen toe”V Dit leidt tot het door mij verfoeide “op trucjes varen”
Voorbeeldles Aanleren truuk gijpen:.
(I=instructeurs, de C1 tot C4 zijn cursisten.)

I weet dat niemand nog aan boord kan gijpen, want het is de tweede dag dat iedereen in een boot zit, en gisteren is sturen en oploeven en afvallen, bomen en zeil hijsen strijken behandeld met dezelfde mensen, geëindigd met onderdelenspel omdat de wind daarna weg is. Gisteravond is de windroos behandeld. I zit op meer aan hogerwal met windkracht 2, en heeft net koffie pauze gehad na wat er gisteren geleerd is nog eens kort te herhalen/controleren, wat lekker snel en goed ging.

I: “we gaan nu leren gijpen, ik doe het voor en dan mogen jullie het proberen.”
I: “een gijp is van voor de wind naar voor de wind je zeil aan de andere kant zetten, en dat gaat zo:
I: “ik zeg “pas op voor de gijp” en doe ik het roer naar mij toe totdat de fok doodvalt” en doet het.
I : “dan ga ik aan de andere kant zitten en ga met mijn zij sturen” en doet het.
I: “dan trek ik het zeil aan hier boven het blok, en blijf rechtdoor varen” en doet het.
I : “dan pak ik het roer en trek het zeil over en zeg “gijp” als het zeil overkomt.
I: “nu laat ik het zeil weer snel helemaal los” en doet het.
I: “nu hoeft alleen de fok nog maar naar de goeie kant.” Een C doet dat.
I: “Dat is nu een gijp.”
I:” Ik doe er nog een.”
I: “pas op voor de gijp””gijp” terwijl hij netjes en rustig een gijp maakt zoals net.
I: “dus C2, hoe gaat een gijp?”
C2 “zeggen “pas op voor de gijp”, roer naar je toe totdat de fok doodvalt, gaan verzitten, het zeil binnentrekken boven het blok terwijl je naar voren kijkt en met je rug stuurt zodat je rechtdoor blijft varen, het roer pakken, zeggen “gijp” en het zeil overtrekken, en het zeil weer snel laten vieren, zeggen “fok over”” I: “Ok, heel goed, C1 en C3, zijn jullie het daar mee eens? “ja”
I: “Nou, zou jij het dan eens willen proberen als eerste?”
C: “nou ik wil het proberen maar ik weet niet of het lukt hoor.”
I: “nou, dan help ik wel een beetje”
C neemt het roer. I: “nou, begin maar”
C: -C valt af tot net voor de wind-
I: “draai nog maar een stukje verder, zodat de fok nog duidelijker doodvalt” C doet dat.
I: “ga maar verder”
C gaat netjes verzitten, blijft mooi rechtuit sturen I: “heel goed dat je zo mooi rechtuit stuurt. Haal nu het zeil maar over.” C haal t netjes binnen, trekt over, zegt “gijp” en pakt het roer en laat meteen zeil weer vieren, en zegt “fokover” C: “nou, dat viel wel mee”
I: “Nou heel mooi, doe er nu maar een zonder dat ik wat zeg”
C doet het netjes, maar wel wat langzaam.
I: “wat vond je er zelf van ?”
C:”Volgens mij ging het wel lekker, maar de fok wou eerst niet helemaal doodvallen, dat deed hij pas toen ik wat verder stuurde”
I:”vond ik ook, Doe er nog maar 5 om het niet meer te vergeten, en dan is de volgende, iedereen goed opletten want jullie mogen zo, en dan help ik niet meer. Let ook op de fok.”
De andere Cen doen het daarna, waarvan ook de eerste keer met aanmoediging.
I: “ nou, dat is nou gijpen. Er zijn zeker geen vragen? Mooi, dan gaan we nu even een stukje daarheen varen, en dan gaan we daar de overstag doen. Heeft er iemand ook zin in een koekje?”


Dit lijkt een heel mooie les, maar nu het volgende. Na deze les stapt een andere instructeur erbij aan boord, Deze instructeur vermoed dat de eerste instructeur trukenvaren aanleert
Deze instructeur krijgt te horen dat net de gijp is behandeld en dat het goed ging.
(en van een afstandje had hij ook een boel redelijk nette gijpen gezien)
De nieuwe I wil het trukenvaren aan de kaak stellen, en de cursisten bewust maken dat een gijp meer is dan een truukje.
I: “nou, dan wil ik van jullie allemaal wel eens wat zien.”
I: trekt de fok strak terwijl hij vraagt “nou laat maar eens een mooie gijp zien”
C: valt netjes af en valt af tot ver binnen de wind, (want dan ziet hij de fok pas bewegen), gaat verzitten, trekt het zeil binnen wat natuurlijk sneller overkomt dan hij verwacht, waardoor hij het roer nog niet beet heeft, en de boot hard oploeft en overstag gaat.
I: (uiterst cool) “wat vond je er zelf van?”
C: “alles ging mis!”
I: “nou weet je wat, laat eerst iemand anders proberen, en als je weer rustig bent doen we het gewoon nog een keer. Volgende”
Nieuwe C aan het roer. “ok, mag ik nu een gijp laten zien”
I: “ja, zo, vaar eerst maar een stukje die kant op want daar moet ik zo weer afstappen” terwijl hij een koers aanwijst die ruime wind over de andere boeg ligt.
C: “ok, maar waarom ga je nu zo raar laag….” Klapgijp. Cursist stuurt weer terug, nog een klapgijp.
I: “vaar nu eerst maar even rechtdoor”
C: “ja, maar” I: “Roer nog ietsje van je af!” “mooi zo”
I: “Nou, dan mag nu de volgende aan het roer en dan mag je daarna vertellen wat er nu gebeurde”
I: “even mijn sigaretten pakken” als smoes om aan loef op het bankje te gaan zitten, zodat de cursist aan lij plaatsneemt. I:”nou, laat jij dan maar een gijp zien zoals het moet” (nog meer afleiding zodat het aan lij zitten nog onopvallender is”
C: “ok” en maakt een overstag terwijl hij netjes “gijp” zegt.
I: tegen vorige cursist tijdens de overstag “ wat gebeurde er net bij jou?”
C(vorige): “ik weet het niet meer, ik zat nu naar de laatste gijp te kijken want die was zo raar”
I: “ja, er was inderdaad iets anders, maar daar hebben we het zo wel over, eerst wil ik de laatste nog zien, Volgende.”
C: “zal ik het dan maar laten zien hoe het moet, want bij mij ging het heel lekker”
C: begint al met voor de wind te varen
I: “ok, maar zet jij de fok eens aan de goede kant” en de fok wordt inderdaad mooi te loevert gezet en vangt ook nog mooi wind.
C: “pas op voor de gijp” en gaat steeds verder binnen de wind varen, giek komt al omhoog, I gaat plat op zijn buik liggen.”
C: “het gaat toch goed”
I: “ga maar verde..” klapgijp.
C: uiterst droog “gijp”
C: “Ik was vergeten te gaan verzitten”
I: “waarom deed je dat dan niet?”
C: “de wind draaide en toen gijpte hij al vanzelf voordat ik kon gaan verzitten, en het waait harder want hij ging zo hard”
Andere C:”het is ook best wel spannend nu het zo hard waait”
Eerste C:”Ik mocht hem nog een keer proberen had je gezegd”
I:”ja dat had ik gezegd. Laat maar eens zien hoe hij wel moet”
Eerste C neemt roer over. I: “vertel ook maar wat je doet, misschien help dat”
I: “ volgens mij mag de fok losser” fok (en het grootzeil) gaan losser
C:”eerst doe ik het roer een beetje naar me toe totdat de fok helemaal doodvalt”
I: “doe maar” C doet het. I: “en nu?”
C: “nu ga ik verzitten en neem ik een punt op de wal en blijf daar naar sturen met mijn rug” en doet dat. C: “nou doet de boot wel normaal” “nu ga ik het zeil overtrekken en mijn roer vasthouden”
En doet dat, en laat ook nog eens zijn zeil vieren.
I: “ heel mooi, vaar nu maar daar naar toe” (koers over zelfde boeg maar dan halve wind aanwijzend)
Andere C: “pas op, dat zei hij bij mij net ook”
C: “pas op de gijp” terwijl hij rustig oploeft.
I: “ juist, en nu rechtdoor blijven varen” (fok klappert een beetje)
C: “nu snap ik het niet meer.”
I: “gewoon rechtdoor varen, en trek die fok nou eens aan”
C: “maar dan kan ik niet gijpen”
I: “ dat hoeft nu ook niet, ik wou eerst alles rustig op een rijtje zetten, niet elke vraag is een strikvraag!”
Andere C: “ik weet al lang niet meer wat ik net fout deed hoor!”
I: “ik weet het ook niet meer. Jullie zitten allemaal te rommelen. We gaan het even weer rustig op een rijtje zetten. Volgens mij ging het vanochtend hartstikke lekker bij jullie, jullie kunnen het allemaal, Ik heb geprobeerd jullie erin te luizen, en dat is me gelukt. Nu ga ik uitleggen hoe ik dat heb gedaan, zodat jullie er niet nog eens intrappen. Een gewone gijp gaat hartstikke goed bij jullie, dus daarom maakte ik het een stapje moeilijker, want jullie zijn zo goed dat we daar nu al aan toe zijn. Over een uur kan ik jullie er niet meer inluizen, als jullie nu goed opletten.
Ik ga nu een voor een voor doen wat er mis ging, zodat jullie ook weten wat er mis kan gaan.
Ik ga nu dus even aan het roer. –I neemt roer over-
C: “ we slaan toch niet express om he?”
I: “nee, want dan worden mijn sigaretten nat”
I: “ ok, we gaan weer verder. Welke kant moet ik nu opsturen om te gijpen, C2?
C:”ik dacht roer naar je toe, maar dat zal dan wel fout zijn.”
I:” is wel goed hoor, roer naar me toe. En als ik nu aan de verkeerde kant zit?” I gaat aan lij zitten
I: “C1 welke kant moet ik nu opsturen om te gijpen?”
I: “roer van je af natuurlijk”
I: “heel juist. Ik moet dus van de wind afsturen, het is dus beter te onthouden dat je van de wind moet afsturen, dan dat je het roer naar je toe doet, want dat werkt alleen als je aan de goede kant zit.
Ben je het daar mee eens C3?” C3: “Ja?” I: “ja, want een gijp is altijd met de wind mee, dus met de kont van de boot door de wind.(korte (overigens functionele) stilte)
Een gijp is met de kont van de boot door de wind draaien”
Kijk maar, nu komt de wind daar vandaan van schuin van achter, dan wordt het zeil dus naar deze kant van de boot geblazen, als ik nu verder draai komt de wind recht van achter. Als ik nu nog verder draai, dan wil het zeil zo aan de andere kant gaan staan, kijk maar de giek begint al ontevreden te dansen dat hij naar de andere kant wil, en kijk, daar gaat hij. (klapgijp).
Een gijp is dus met de kont door de wind draaien.
C1 gaat de boot gijpen als ik daar naar toe stuur? “ wijst koers halve wind aan over zelfde boeg
C1: “ja, ik denk het wel”
I: “nou dat proberen we dan eens, wijs jij maar aan waar de wind vandaan komt, en da ga ik langzaam draaien” C wijst correct naar wind, boot gaat langzaam draaien.
C:”oh nee, toch niet”
I: “heel goed gezien” “C2 en als ik nu de andere kant op draai?”
C2 “niet meteen, pas als de wind van de andere kant komt”
I: “toppie, Ik ga nu rustig die kant opdraaien, en dan moet jij zeggen wanner ik kan gijpen”
I: “kan ik nu gijpen?”
C2 “ nee, nog verder”
C2 “Ja, nu valt de fok dood.”
I: “Ja, nu komt de wind recht van achter. Dat zie ik aan de golven, aan het vaantje, en dat de fok doodvalt. Nu zou het zeil aan allebei de kanten kunnen staan, kijk maar, hij kan hier staan (trekt het zeil over aan heel de bos, en ook hier staan (trekt het zeil over aan heel de bos).
Dat de fok doodvalt kun je alleen goed zien als hij netjes staat. Als de fok te strak staat, doe maar eens, dan kun je bijna niet zien dat de fok doodvalt. Zie je dat?”
Als de fok al aan de andere kant staat, zet hem maar eens aan de andere kant, en hij vangt al wind, zoals nu, dan betekent dat, dat het grootzeil ook aan de ander kant kan staan. Kijk maar.”nog eens het zeil over aan de bos. I: “dat de fok doodvalt werkt dus alleen als de fok netjes wordt bediend.”
Etc
Etc

De tweede instructeur heeft duidelijk gemaakt aan de eerste instructeur dat er nogal wat ontbrak aan zijn les.
Dit is het ideale moment voor de tweede instructeur om dat te gaan vertellen, en nog belangrijker, hoe het dan wel te doen, want nu wil de eerste instructeur dat wel weten!
Als je op bovenstaande voorbeeldles let zul je zien dat de eerste instructeur alleen bezig was om een handeling, een vaste procedure, dus een trucje aan het aanleren was.
De tweede instructeur schatte even snel in waar het vaardigheidsniveau van de cursisten lag aan de hand van de vijf meetpunten van vaardigheid, waardoor de cursisten zich ook meteen bewust werden van wat ze niet konden, waardoor er daarna superconcentratie ontstond, en de instructeur netjes kon beginnen met aan de vijf meetpunten van vaardigheid in zijn les te plannen.


Terug naar de lesgeefpagina