Terug naar lesgeefpagina

Voorbeeldles theorieles windroos nivo I.

Doel
benamingen weten van alle koersen, en koersveranderingen en globale zeilstanden en bijbehorende terminologie.
Benodigdheden
bord+schrijfmiddelen. (bij kleine groepen voldoet pen en papier, natuurlijk zijn schoolborden+krijt, whiteboards, Flapovers,overhead projectoren, etc ook goed)
voldoende pen en papier ook voor cursisten, want die nemen dat niet automatisch mee!
Kopieer de opdrachtvellen en de wind roos van te voren indien mogelijk. Scheelt tijd.
tijdsduur
Ik deed over deze les 35 minuten bij 10 volwassenen.
Uitlopen is echter makkelijk.

De les

I: Welkom allemaal. over 1 minuut gaan we echt beginnen, Ik sta dadelijk ook hier dus zorg dat je dan ergens zit waar je me goed kunt zien, en als je nog koffie wil of nog even uw neus moet poederen, een pen ophalen of zoiets, doe dat dan snel.
(even wat rommelen voorat iedereen een plekje heeft, theorieboeken zijn opgehaald, iedereen terug is van de WC etc.) I: Goedenavond, nu we allemaal zitten gaan we beginnen.
I: Ik ga wat vertellen over de windroos. Mijn doel is dat jullie aan het eind van de les allemaal de basistermen van het zeilen kennen.
Daarmee bedoel ik dat als ik morgen in de boot tegen je zeg "loef maar op tot hoog aan de wind zonder overstag te gaan of te gijpen" dat jullie in ieder geval weten wat ik dan bedoel.
Als je de juiste zeiltermen weet dan kunnen jullie in ieder geval als echte zeilers praten, en begrijpen we elkaar beter.
Als je vragen tussendoor hebt, aarzel niet om ze te stellen. Ik zal mijn best doen ze te beantwoorden.
Ik geef aan het eind of eerder ook de kern van dit verhaal op papier, dus meeschrijven of meetekenen is niet nodig en niet aanbevolen omdat je dan een stukje kunt missen omdat je aan het tekenen of schrijven bent.

Het gaat eigenlijk alleen over het volgende plaatje weten: (I: slaat flapover over zodat zichtbaar wordt:)

(Korte functionele stilte)
Als je weet waar je naar moet kijken, is het als bij zoveel dingen vrij simpel. Ik zal het even toelichten.
Ik begin met de koersen.
Een boot kan verschillende koersen varen ten opzichte van de wind. In dit plaatje komt de wind van boven, aangegeven met die bluwe pijlen.
De bovenste boot vaart dus recht tegen de wind in, het zeil gaat dan vanzelf net zoals een vlag klapperen.
Het zeil vangt dan dus niet echt wind, en de boot komt stil te liggen, maar daar gaat het nu niet om.
Recht tegen de wind in varen noemen we "in de wind" varen.(ook aanwijzen)
(korte functionele stilte)
Recht tegen de wind in varen noemen de dus "in de wind" varen.
(korte functionele stilte)
Als de boot schuin tegen de wind invaart noemen we dat "aan de wind" varen.(ook aanwijzen)
(korte functionele stilte)
Als de boot schuin tegen de wind invaart noemen we dat "aan de wind" varen.
(korte functionele stilte)
Als de boot dwars op de wind vaart noemen we dat "halve wind" varen.(ook aanwijzen)
(korte functionele stilte)
Als de boot dwars op de wind vaart noemen we dat "halve wind" varen.
(korte functionele stilte)
Als de boot schuin met de wind mee vaart noemen we dat "ruime wind" varen.(ook aanwijzen)
(korte functionele stilte)
Als de boot schuin met de wind mee vaart noemen we dat "ruime wind" varen.
(korte functionele stilte)
Als de boot met de wind mee vaart noemen we dat "voor de wind" varen.(ook aanwijzen)
(korte functionele stilte)
Als de boot met de wind mee vaart noemen we dat "voor de wind" varen.
(korte functionele stilte)
Natuurlijk kun je op twee manieren schuin tegen de wind in varen, en dwars op de wind varen, en schuin met de wind meevaren.
beide mogelijkheden heb ik hier getekend.
Hier gaan we straks nog mee oefenen.

Zeilstanden.
Als je in de windroos kijkt dan zie je dat de zeilen niet op elke boot hetzelfde staan.
De zeilen staan altijd van de wind af zoals je ziet. Dat is ook logisch want een zeil zal natuurlijk niet spontaan tegen de wind in gaan.
Ook staan de zeilen niet altijd zo strak mogelijk ofzo. Het zeil staat zo dat het net niet klappert, of in ieder geval zo los mogelijk.
Aan de wind zal het zeil wel redelijk strak moeten staan, anders gaat het klapperen net zoals een vlag:

Als je dat niet ziet dan moet je morgen in de boot daar maar eens op letten, dan is het misschien makkelijker te zien.
Als je dit echt niet snapt dan zal ik het wat minder snel en duidelijker uitleggen? nee? mooi, dan nu een s kijken bij halve wind.
Bij halve wind is het moeilijk om je zeil te los te doen, omdat het toch niet verder uit kan.
Natuurlijk kan het zeil wel te strak.
Een zeil werkt door lucht af te buigen, en dat geeft een kracht haaks op het zeil.
Staat je zeil iets te strak dan buig je de lucht aan de achterkant van het zeil niet meer af doordat de lucht daar uit de bocht vliegt.
Als je minder lucht ombuigt heb je natuurlijk minder kracht.
Je kunt het zeil ook veel te strak zetten, dan is de zeilkracht dwars gericht, en niet naar voren.
Als er geen kracht is naar voren dan wil de boot natuurlijk ook niet echt naar voren.

Hoe dat met die krachten zit komen we later in de week nog op terug.
Voor nu mag je onthouden dat je zeil niet mag klapperen, maar wel zo los mogelijk staat.

Voor de wind staat je zeil dus ook zo los mogelijk, maar dan om zoveel, mogelijk wind te vangen, want dan ga je sneller.

Meer wou ik nu niet kwijt over de zeilstanden, we gaan er straks nog mee oefenen.
nu wou ik eerst wat vertellen hoe de draaien heten bij het zeilen.

Je kunt naar de wind toedraaien, dat noemen we oploeven, en je kunt van de wind wegdraaien, dat noemen we afvallen.
Kijk dat heb ik ook al in de windroos geschreven.
Als je al tegen de wind in vaart, maar toch verder draait nemen we dat een overstag.
Een overstag is dus als het zeil naar de andere kant gaat wanneer je tegen de wind invaart.

Als je al met de wind meevaart, en toch verder draait noemen we dat een gijp.
Een gijp is dus als het zeil naar de andere kant gaat als je met de wind mee vaart.
meer is er niet.

Naar de wind toe draaien heet dus oploeven,
Van de wind wegdraaien heet dus afvallen,
als het zeil naar de andere kant gaat als je tegen de wind in vaart heet dus overstag,
Als het zeil naar de andere kant gaat als je met de wind mee vaart heet dus gijpen.

Nou, dit was een hele berg informatie, maar veel meer is er eigenlijk niet.
Hier gaan we dus mee oefenen.
Ik zal eerst een voorbeeldje voordoen.
Stel je voor, je krijgt de volgende opdracht:

dan verwacht ik van jullie dat je dit doet: (invullen ter plaatse)

Willen jullie het zelf gaan proberen, spieken mag bij je buurman en op het bord, maar probeer het eerst zelf.
(volgend papiertje wordt uitgedeeld, tijdens uitdelen vraag je "heeft er nog iemand prangende vragen?" om simpele vragen niet te krijgen.

(tijdens het uitvoeren van de opdracht kun je even uitpuffen, en kijken naar wat er niet lukt en wel lukt.)
(Lukt er veel van hetzelfde niet, dan moet je dat nog eens gaan uitleggen. Meestal is een hint geven echter voldoende omdat de cursist in principe voldoende informatoe heeft gekregen, en deze alleen nog maar hoeft te verwerken.)
Hierna geef je ze nog de gelegenheid om vragen te stellen, en de oplossing van de opdracht samen na te kijken.

Of, Als er nu nog tijd over is kun je of ze hetzelfde laten doen bij bijvoorbeeld een halve wind achtje,

Of je begint het grote Oudhollandse "vertel mij welke koers ik moet lopen om bij die paal uit te komen" gevolg door laat mij eens een rondje om die prullenbak lopen door mij te vertellen watik moet doen. Ik versta alleen oploeven, afvallen, overstag en gijp."
als dat heel goed gaat kun je koppels maken die dat doen.

Of je verteld nog even wat de termen loef hoge kant hogerwal en lij, lage kant, lagerwal betekenen eventueel aangevuld met termen als Hoog aan de wind varen, net iets hoger dan ruime wind, net iets lager dan halve wind etc.
Vergeet echter niet dat ze al een heleboel informatie hebben gehad, en ze nu wel "vol" zullen zitten.

Of je geeft ze nog de gelegenheid om vragen te stellen, en de oplossing van de opdracht samen na te kijken.


Terug naar de lesgeefpagina